De bus blijft rammelen

In tijden van benefietshows, sms-donaties en doe-het-zelf-filantropie gaan collectanten nog ouderwets de deuren langs voor het goede doel. Een laatste stuiptrekking of toekomstproof?

Woensdag is Nederland 1 voor de vierde keer het decor van Sta op tegen kanker. In 2012 was de benefietavond van KWF Kankerbestrijding goed voor 62.000 donateurs en zo een aanzienlijk deel van de 137,2 miljoen euro dat het succesvolste fondsenwervende doel van Nederland dat jaar ophaalde. Andere inkomsten kwamen uit erfenissen (33,5 miljoen), campagne Alpe d’HuZes (32,1 miljoen) en eigen loterijen (9,5 miljoen). En dan was er natuurlijk de jaarlijkse collecteweek. Al bleef die 800.000 euro onder de beoogde 8,3 miljoen steken, en daalde de opbrengst in 2013 zelfs verder – deels door de ophef rond Alp d’HuZes – tot 6,3 miljoen. “Mensen hebben minder kleingeld, zijn minder thuis en er zijn minder collectanten”, liet woordvoerder Marjolein Swart in augustus al optekenen in deze krant. “Maar ik geloof niet dat de collecte zal verdwijnen. In ieder geval niet bij het KWF.”

En ze is niet de enige. Uit cijfers van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) blijkt dat de gezamenlijke collecte-inkomsten van goede doelen al jaren afnemen: van 64,4 miljoen euro in 2009 tot 54,7 miljoen in 2012. En toch gaan volgens schatting nog jaarlijks 500.000 vrijwilligers de deuren langs. Swart: “Het is zo oer-Hollands.”

Monopolie
Het potje kleingeld in de gang is inderdaad zo Nederlands als het kuiltje in de jus. Al in de zeventiende eeuw gingen aalmoezeniers, predikanten en zelfs burgemeesters van deur tot deur om geld in te zamelen voor armen of slachtoffers van overstromingen en branden. Hun schalen muntgeld maakten plaats voor gesloten collectebussen, maar het fenomeen wist de tand des tijds verder glansrijk te doorstaan.

“De collectetraditie is in Nederland sterker dan elders”, vertelt hoogleraar René Bekkers van de Werkgroep Filantropische Studies aan de VU. “In Amerika is het verschijnsel in de jaren ’70 bijvoorbeeld al verdwenen; ondermeer omdat er na een aantal geweldsincidenten nog maar moeizaam vrijwilligers werden gevonden.” 

Dat wil volgens de hoogleraar niet zeggen dat Nederlanders buitengewoon vrijgevig zijn. “In Amerika geven gemiddeld minder mensen aan veel minder goede doelen, maar het bedrag is wel hoger: 2 procent van het BNP ten opzichte van 0,8 procent bij ons.” 

Het is de versplintering die deels is toe te schrijven aan de deurcollecte. Jaarlijks krijgen 26 goede doelen van het CBF – op voorstel van Stichting Collecteplan – een eigen collecteweek toegewezen. De rest van het jaar blijft vrij voor overige fondsen, die wel eerst per gemeente moeten aankloppen voor een vergunning. Dat ook vanaf de reservebank succesvol kan worden geworven bewees Natuurmonumenten, dat in 2013 bijna 600.000 euro ophaalde in slechts vier provincies. Hoe kleiner de gemeente, hoe meer er gemiddeld wordt gedoneerd. Met 45 euro per inwoner per jaar is Urk al jarenlang de gulste gemeente, terwijl grote steden als Den Haag en Amsterdam doorgaans ver achterblijven met amper een euro per persoon.

Bel-me-niet-register
Vinger aan de pols van ons nationale geefgedrag is Geven in Nederland van Bekkers en zijn VU-collega’s. Tussen 2009 en 2011 daalden onze totale donaties volgens het tweejaarlijkse onderzoek met 5 procent tot 4,3 miljard euro. Maar volgens Bekkers is de economische crisis niet de belangrijkste bedreiging voor de collecte.

“Het aantal mensen dat collectanten afwijst neemt ietsje toe, maar doorslaggevender is het feit dat het steeds moeilijker wordt om collectanten te vinden. Telemarketing was jarenlang hét instrument, maar door het bel-me-niet-register is een belangrijk kanaal weggevallen.”

Gevolg zijn volgens Bekkers dan ook gestegen organisatiekosten. Volgens de CBF-norm mag een goed doel niet meer dan 25 procent van de inkomsten aan fondsenwerving besteden, maar de regel geldt enkel voor het totaalbedrag en de lastenverdeling per werfmethode wordt dan ook zelden gespecificeerd. In 2011 concludeerde Bekkers wel dat collectekosten van goede doelen – onderling sterk verschillend van organisatiegrootte – logischerwijs flink uiteen lopen: van 52.000 tot 789.500 euro per jaar aan betaalde medewerkers en 1.500 tot 168.700 euro aan materiële kosten. 

Duurder zijn echter de commerciële wervingsbureaus die worden ingeschakeld om betaalde krachten – veelal studenten – in de openbare ruimte donateurs te laten werven. Gemiddeld kost het 80 euro om één straatdonateur te werven, terwijl diegene per jaar 60 euro in het laatje brengt. Conclusie: pas na 5 jaar en vier maanden van donateurschap zakken de kosten onder de norm van 25 procent.

Bekkers: “Ik snap heel goed dat deze werfmethodes in de beleving van mensen duur lijken, maar voor goede doelen blijven ze efficiënt. Je moet nou eenmaal kosten maken om geld binnen te halen; dat is zo met elke investering.”

“Het is net als in een supermarkt”, vindt Peter Schoof, directeur van de Hersenstichting en secretaris van Stichting Collecteplan. “Het ene product levert gewoon meer op dan het andere.”

LEES VERDER...