De ober is altijd vrolijk

Ruim 150 horecazaken in Nederland worden –deels- gerund door verstandelijk beperkte medewerkers. Maar verwacht er geen slappe koffie met een voetenbad. ‘Wij zijn dat kwaliteitsrestaurant, alleen gezelliger.’

Hij wil één ding voorop stellen: ze zijn niet zielig. Je komt langs omdat je ‘verrekte lekker’ wilt eten, niet omdat je medelijden hebt of een goede daad wilt verrichten. Bedrijfsleider Marco Roozenburg zit ontspannen aan een schoongeboend tafeltje in De Smulhoeve. Het lunchcaférestaurant in de Haagse nieuwbouwwijk Leidschenveen is afgeladen met hongerige gasten, maar Roozenburg heeft alle vertrouwen in zijn staf. Het merendeel mag dan een verstandelijke beperking hebben, de zaak loopt er vanmiddag niet minder soepeltjes door. Gastvrouw Samantha: ‘Goedemiddag, welkom bij de Smulhoeve. Had u een reservering?’

Zo’n dertig verstandelijk beperkte personeelsleden werken er in De Smulhoeve. Ze hebben een achterstand in hun geestelijke ontwikkeling door het syndroom van Down, autistische beperkingen of aangeboren hersenletsel. De meeste zijn tussen de 18 en 22 jaar. Allen zijn cliënt van zorgorganisatie Ipse De Brugge, dat naast de Haagse lunchroom nog een eetcafé in Zoetermeer en Brielle heeft opgezet. 

‘Deze mensen worden vaak beoordeeld op wat ze niet kunnen’, vertelt bedrijfsleider Roozenburg. ‘Wij maken juist gebruik van de dingen waar ze wel heel goed in zijn. Zet iemand met een autistische beperking achter de bar en hij zorgt ervoor dat elk suikerzakje en lepeltje minutieus op zijn plaats ligt. Samantha is naast haar verstandelijke beperking zo goed als blind, maar we profiteren dagelijks van haar kracht om te communiceren en mensen aan te voelen. Ze ontvangt gasten, geeft rondleidingen en heeft een training gehad om de telefoon op te nemen.’

Samantha: ‘Als het zo druk is vergeet ik de tafelnummers wel eens, maar ik ben heel erg van de mensen. Op school hielp ik altijd iedereen die het lokaal niet kon vinden. Ik liep bijna altijd door de gangen met blinde leerlingen aan mijn arm.’

Glunderend leidt de kleine gastvrouw het bezoek door alle vertrekken van het restaurant. Langs de kantine waar Pauline geroutineerd de werksloven strijkt. Langs de bar waar Annemiek toezicht houdt op alle tafeltjes. Langs Fabian en Robert die onder begeleiding van kokkin Karin de blinkende keuken bestieren. De krant is op bezoek dus het dynamische duo doet vandaag niet aan valse bescheidenheid. 

Karin: ‘Robert, maak jij even een broodje boerenham?’

Robert: ‘Boerenham. Ha, makkelijk!’

Karin: ‘We zullen zie hoe makkelijk dat is.’

Fabian: ‘Ik ben beter dan Herman. Herman den Blijker.’

Karin: ‘Nee, Robert: boerenhám. Daar komt geen kaas in voor.’

Fabian (schaterlachend): ‘Lekker bezig, Rob.’

Karin: ‘Fabian, heb jij je tosti’s al af jongen? Waarom heb je dan nog niet op het belletje gedrukt?’

Robert (grijnzend): ‘Wij worden beroemd Fabian.’

De jongens delen een high five uit en vallen elkaar voor de bakjes met alfalfa, kappertjes en rode ui in de armen.

Karin (zuchtend): ‘Kom op heren, het is hier vandaag al een gekkenhuis met alle drukte.’

LEES VERDER...